Als opmaat voor deze meeting werd Bert Ouwens, bestuursadviseur van CVO, geïnterviewd over de aanpak binnen CVO. Het interview staat op de website van Verus. Bert vat in het stuk de notitie over meer kansengelijkheid samen die hij vorig kalenderjaar schreef voor het directieoverleg van CVO.

Hier volgt de tekst van het artikel (met toestemming overgenomen):

Wie helpt je met je huiswerk als je ouders dat niet kunnen? Wat doet het met de motivatie van een jongere als die merkt dat de docent niets snapt van zijn thuisomgeving? Kinderen die opgroeien in armoede hebben een sterk netwerk nodig om hun kansen te vergroten, maar ook soepele overgangen in het onderwijs en leraren die pedagogisch didactisch onderlegd zijn om hen goed te begeleiden. De CVO-scholen ondernemen op alle drie die punten actie.

Kansengelijkheid is een prioriteit binnen CVO, de vereniging voor christelijk voortgezet onderwijs in Rotterdam en omgeving. Dat betekent dat alle 40 aangesloten scholen (20.000 leerlingen) in hun jaarplan aangeven wat zij doen aan kansengelijkheid, legt bestuursadviseur Bert Ouwens uit.

Onkundige of onwillige ouders
‘Veel scholen in Rotterdam krijgen sowieso te maken met onderwijsachterstanden en armoede’, vertelt Ouwens. En dus kennen ze de weg naar potjes van het Rijk, gemeenten, fondsen en stichtingen. Daar waar ouders bijvoorbeeld niet in staat zijn om het schoolreisje te betalen, een laptop of fiets. Dat gaat trouwens niet altijd van een leien dakje. Neem het meisje van gescheiden ouders. Moeder is niet helemaal in staat haar kind op te voeden en heeft geen voogdij. School wil een aanvraag doen voor een bijdrage voor de schoolreis en heeft de handtekening van een ouder nodig. Maar vader wil niets met het kind te maken hebben. Met dat soort situaties, vertelt Ouwens, worden Rotterdamse scholen geconfronteerd.

Op drie terreinen ondernemen scholen actie:

  1. Netwerk verbreden
    Kinderen die in armoede opgroeien missen vaak een netwerk. Ze komen niet in aanraking met cultuur en sport en ouders kunnen hen ook onvoldoende helpen bij hun schoolwerk. Vmbo-scholen en scholen voor praktijkonderwijs bevorderen, via een aparte landelijke regeling, cultuurparticipatie. Zo komen muziek, theater en fotografie de school binnen en leren leerlingen zich zelf kennen, moeten ze een presentatie geven, wordt respect voor elkaars mening bevorderd. Ook investeren scholen in ouderbetrokkenheid. Neem de Julianamavo. Élk kind wordt thuis bezocht voordat hij op deze school begint. En de Julianamavo is een huiswerkvrije school: het eerste en laatste lesuur wordt er onder begeleiding huiswerk gemaakt. Ook nemen CVO-scholen deel aan Mentoren op Zuid, waarbij een hogeschoolstudent als maatje gekoppeld wordt aan een vo-leerling. Ze praten bij aan de keukentafel of gaan samen op stap en wisselen ervaringen uit.
  2. Doorstroming versoepelen
    Door de bestaande, stugge overgangen is niet alle talent even goed zichtbaar. ‘Onbewust nemen leraren in hun schooladvies de thuissituatie mee’, weet Ouwens. ‘Havo is haalbaar, maar mavo het advies. Onderadvisering is een feit. Dat heeft te maken met zowel taalachterstand als begeleiding bij het leren.’ We bevorderen dat onze vo-scholen samenwerken met basisscholen. Heel veel scholen werken inmiddels samen en bieden leerlingen in groep 8 en het eerste leerjaar van het voortgezet onderwijs extra hulp bij bijvoorbeeld taalonderwijs of ouderbetrokkenheid. Maar er is ook extra tijd voor leerlingen in de leerjaren 3 en 4 richting het mbo, zij worden geholpen bij hun huiswerk en studiekeuze. Ouwens: ‘Kinderen hebben vaak verkeerde beroepsbeelden. In dit traject geven we hen samen met het mbo en het bedrijfsleven een zo realistisch mogelijk beeld van de vervolgstudie en banen die daarbij passen.’
  3. Leefwereld van leerlingen begrijpen
    Verdiep je in de leefwereld van de leerling. Voor het Turkse meisje dat als enige in haar omgeving naar het categoraal gymnasium gaat en daarom wordt buitengesloten, is het heel belangrijk dat de docent haar situatie begrijpt. De Rotterdamse scholen versterken het pedagogisch didactisch handelen van hun docenten. Ze gebruiken daarvoor onder meer de methode van de Transformatieve school van socioloog en Onderwijsraadlid Iliass El Hadioui. Die methode leert docenten zich te verplaatsen in de leefwereld van hun leerlingen en biedt hen handvatten om de jongeren te motiveren.

Cijfers en veiligheid
De vraag is natuurlijk: werpen de investeringen vruchten af? Dat zoeken de scholen nu uit, zegt Ouwens. Allereerst door de cijfers naast elkaar te leggen: waar zit een leerling in het derde leerjaar ten opzichte van het basisschooladvies? Hoeveel leerlingen stromen op? Hoe doen ze het in het vervolgonderwijs? ‘Maar die cijfers zeggen natuurlijk niet alles’, weet Ouwens. ‘Het gaat ook om de veiligheid, de steun in de rug die je leerlingen meegeeft. Die laat zich niet in cijfers vangen. We hebben nu in elk geval bereikt dat kansengelijkheid onderdeel is van de plancyclus van de scholen en je er ieder jaar over moet nadenken.’

Hester van de Kaa

Wat kunnen we doen om voor alle kinderen optimale kansen te creëren? Die vraag staat centraal tijdens de bijeenkomst Kansen voor kinderen op donderdagmiddag 5 maart 2020. Meld je aan!