In Nederland worden schoolleiders zelden direct betrokken bij de ontwikkeling en evaluatie van onderwijsbeleid. Dit geldt ook voor de wijze waarop (overheids)beleid met betrekking tot schoolautonomie in de praktijk vorm en inhoud krijgt. Uit mijn proefschrift blijkt dat Nederlandse schoolleiders in het voortgezet onderwijs (vo) deze autonome ruimte voornamelijk gebruiken voor interventies op het vlak van onderwijs en professionalisering. Hun interventiekeuzes zijn veelal gebaseerd op tacit knowledge: intuïtie en persoonlijke drijfveren. Deze persoonlijke drijfveren zijn sterk verbonden met schoolmissies en -visies en getuigen van een waardegedreven, holistische en mensgerichte oriëntatie. Interventiekeuzes worden hoofdzakelijk gemotiveerd door pedagogische ambities – zoals talentontwikkeling of het activeren van leerlingen – of overwegingen die samenhangen met de gevolgen van vrije schoolkeuze.

Cognitieve leeropbrengsten
De verhoging van cognitieve leeropbrengsten blijkt geen primaire en expliciete doelstelling in de interventiekeuzes van Nederlandse vo-schoolleiders. Van veel toegepaste onderwijsinterventies kan conform internationaal onderzoek niet verwacht worden dat ze tot een substantiële verhoging van leeropbrengsten leiden. Ook motieven die samenhangen met gestandaardiseerde verantwoordingsnormen worden zelden genoemd als reden voor specifieke interventiekeuzes. Zolang tenminste aan dergelijke normen van overheids- of inspectiewege voldaan wordt, vertonen schoolleiders geen opvallende ambitie om deze leeropbrengsten als zodanig te verhogen.

Alternatieve interpretatie
Het is echter goed mogelijk dat schoolleiders het begrip leeropbrengsten anders interpreteren dan gangbaar is onder beleidsmakers en onderzoekers. Een interpretatie die niet uitsluitend gericht is op cognitieve prestaties, maar ook aandacht schenkt aan talentontwikkeling en non-cognitieve vaardigheden zoals motivatie en eigenaarschap. Wanneer je de voorbereiding van kinderen op hun toekomstige rol in de samenleving als de voornaamste taak van onderwijs beschouwt, dan is te begrijpen dat een holistisch opvoedingsbegrip en het welbevinden van leerlingen de interventiekeuzes van schoolleiders bepalen. In mijn onderzoek tonen schoolleiders heldere en overeenkomstige opvattingen over de doelstellingen van (voortgezet) onderwijs. Mede hierom is het zowel opmerkelijk als betreurenswaardig dat er relatief weinig wetenschappelijk onderzoek beschikbaar is dat onderwijsinterventies vanuit dit perspectief benadert.

Verantwoording
Uit het oogpunt van verantwoording kun je echter ook een kritische noot plaatsen bij het gegeven dat het voornamelijk pedagogische ambities zijn die vo-schoolleiders drijven. Uit onderzoek blijkt dat verantwoording afleggen voorwaardelijk is voor het welslagen van schoolautonomie en concrete en meetbare doelen vereist. Verantwoording met betrekking tot cognitieve leeropbrengsten is schoolextern gereguleerd via gestandaardiseerde kaders en instrumenten, bij voorbeeld die van de Inspectie van het Onderwijs. Verantwoording met betrekking tot pedagogische, non-cognitieve doelstellingen is een stuk uitdagender om vorm te geven. Dergelijke doelen zijn vaak lastiger concreet te formuleren, laat staan te meten en te waarderen. We ontkomen echter niet aan een discussie over de wijze waarop die pedagogische verantwoording kan plaatsvinden, inclusief het formuleren van doelstellingen en opbrengsten.

Onderzoeksgebruik
In deze discussie moeten we ook het gebruik van onderzoek betrekken. In een professionele context wordt van schoolleiders in toenemende mate verwacht dat zij gebruikmaken van de groeiende hoeveelheid onderzoeksgegevens. Het is essentieel om te weten of schoolleiders in wezen terughoudend zijn in het gebruik van onderzoek dan wel of het voorhanden zijnde onderzoek onvoldoende toepasbaar is in hun dagelijkse praktijk. Als zij daadwerkelijk weinig interesse blijken te hebben in het toepassen van onderzoek, dan zouden beleidsmakers, opleidingsinstituten en besturen hun verantwoordelijkheid moeten nemen wat betreft de professionaliteitseisen aan en de professionele ontwikkeling van schoolleiders. Gezien de bestaande beroepsstandaard en het beroepsregister zouden deze actoren zowel moeten eisen dat schoolleiders voldoen aan de overeengekomen normen met betrekking tot onderzoeksgebruik en -vaardigheden als deze ontwikkeling effectief faciliteren. Laten we niet vergeten dat schoolleiders betrokken zijn bij de totstandkoming van standaard en register. Dit impliceert dat zij onderzoeksgebruik en -vaardigheden zelf ook als een inherent onderdeel van hun schoolleiderschap beschouwen. Als uit nader onderzoek zou blijken dat schoolleiders het beschikbare onderzoek onvoldoende toepasbaar vinden in hun dagelijkse praktijk, dan biedt mijn proefschrift aanknopingspunten voor toekomstig effectiviteitsonderzoek.. Hiermee kan de bruikbaarheid van wetenschappelijk onderzoek voor onderwijsprofessionals verhoogd worden, met een grotere impact op leeropbrengsten als mogelijk gevolg.

a.neeleman@cvo.nl

Deze column is gebaseerd op de Nederlandstalige bewerking van Annemarie’s proefschrift. Lees haar proefschrift en de Nederlandstalige bewerking op annmarieneeleman.com